Studievaardigheden in de onderbouw
1. Woordjes leren 3
2. Het boekverslag 4
3. Samenwerken 7
4. Een werkstuk maken 8
5. Goed plannen 15
6. Geven van een presentatie 17
7. Samenvatten 20
8. Praktisch onderzoek bij de B-vakken 23
9. Het groepsgesprek 25
10. Maken van poster 26
1. Woordjes leren
Voor de sommige leerlingen is dit lastig: woordjes leren. Veel leerlingen gaan de woordenlijsten 10 keer hardop
voorlezen en ze helemaal overschrijven in de hoop dat het dan beter blijft zitten. Deze, tamelijk passieve, manier
van leren levert niet veel op. Woorden leren is misschien wel de meest actieve vorm van leren. Dat is voor
sommigen vervelend maar (bijna) iedereen kan het. De meeste leerlingen kunnen, als ze er maar de tijd voor
nemen en het op de juiste manier aanpakken, voor een woordentoets altijd een hoog cijfer halen.
De beste methode: Je begint eerst mondeling. Neem een groepje van maximaal 5 woorden. Lees eerst de te
leren woorden grondig. Bedek dan de kant waar je naartoe moet leren met een stukje papier en kijk telkens of je
ze blind kunt vertalen. Laat het stukje papier telkens een stukje zakken. Na 5 woorden begin je opnieuw, tot je ze
alle 5 kent. Dan neem je er weer een groepje van 5 bij, als je deze kent eerst de vorige vijf weer herhalen etc, etc.
Als je alle woorden mondeling beheerst, dan pas ga je jezelf schriftelijk overhoren, papiertje op de te leren
woorden en nu opschrijven. Daarna corrigeren en de foute woorden nog eens apart opschrijven. Deze leer je dan
nog eens extra.
Om te controleren of je de woorden beheerst, kun je je laten overhoren!
Woorden leren op deze manier is zeer intensief werken. Langer dan een half uur achter elkaar is niet zinvol.
Ga nu eerst aan een ander vak werken en neem later de draad weer op. 3x Een half uurtje intensief leren heeft
10x meer effect dan anderhalf uur achterelkaar.
Als je woorden een keer leert, dan zul je zien dat het snel weer wegzakt. Wanneer je de woorden vaker hebt
geleerd, dan blijven ze veel langer in je hoofd zitten. Woorden in je hersenen opslaan, is niet iets wat je in één
keer kan doen, het is een proces. Hoe vaker je herhaalt, hoe beter het blijft ‘hangen’. Dus: het opgegeven
huiswerk altijd goed bijhouden en voor een proefwerk veel herhalen.
Het juiste tijdstip van leren verschilt per persoon. Voor de meeste leerlingen is ’s morgens de beste tijd, je bent
dan fris en je neemt het snelste op. Je zou je aan kunnen wennen, elke ochtend eerst een half uurtje woorden te
leren.
2. Het boekverslag
Het boek:
Het uitzoeken van een boek is belangrijk. Kijk of het thema je wel bevalt. Lees de achterflap en probeer eens een
bladzijde. Er is niets vervelender dan een boek te moeten lezen dat je helemaal niet boeit!
Het lezen:
Tijdens het lezen maak je aantekeningen. Het handigste is dat je dat per hoofdstuk doet. Als je het hele boek hebt
doorgewerkt dan neem je de aantekeningen nog eens door en streep door wat achteraf niet zo belangrijk is.
Als het een boek in een vreemde taal betreft: gebruik de eerste tien bladzijden geregeld een woordenboek, daarna
zo min mogelijk. De meeste woorden kun je dan wel uit het zinsverband opmaken.
Planning:
Bereken hoeveel tijd het lezen van een bladzijde kost en hoe lang je dus met het boek bezig bent. Ook voor het
verslag maken moet je tijd over hebben.Begin niet te laat!
Het verslag: Hoe ziet dat eruit?
1.
Je begint altijd met het noemen van de schrijver, de titel en eventueel ondertitel. Geef aan waar en wanneer het
boek is uitgegeven. Wanneer was de eerste druk en welke druk heb jij gelezen?
2.
Je begint dan met een lijstje van de belangrijkste hoofdpersonen en een korte omschrijving. Dus geen onbelangrijke
bijfiguren.
3.
Daarna geef je een korte inhoud. De lengte van dit uittreksel is 350-400 woorden. Niet langer! De meeste leerlingen
hebben problemen zich tot hoofdzaken te beperken. Zorg dat je niet telkens van tijdsvorm wisselt, wees consequent!
Het is aan te bevelen je uittreksel, voor de definitieve versie, eerst aan iemand anders te laten lezen. Als deze er
niets van snapt, dan weet je dat je uittreksel niet deugt!
4.
Tijd: Geef aan wanneer het verhaal zich ongeveer afspeelt (bijv. Riddertijd, toekomst, of gewoon in onze tijd) en waar
je dat aan ziet. Geef ook aan hoeveel tijd er verloopt tussen de eerste en laatste bladzijde. Leg uit of er chronologisch
wordt verteld.
5.
Plaats: Vertel waar het zich afspeelt en leg zonodig uit waaruit je dat opmaakt.
6.
Kern: Omschrijf de thematiek van het verhaal in maximaal vijftien woorden. Wat wil de schrijver ons eigenlijk
vertellen? Zit er misschien een diepere bedoeling achter?
7.
Verteller: Wie vertelt het? Staat de verteller buiten of juist in het verhaal? Bijvoorbeeld de hoofdpersoon in de
ik-vorm, of een alwetende verteller.
8.
De schrijver: Geef de biografische gegevens van de auteur voor zover dat van belang is voor het boek!
9.
Wendingen: Geef de twee of drie belangrijkste wendingen in het verhaal.
10.
Passages: Geef aan welke passages uit het boek vooral indruk op je hebben gemaakt en leg uit waarom juist die.
11.
Vraag: Welke vraag zou je willen stellen aan welke persoon? Leg uit waarom.
12.
Kopie bladzijde: Maak een kopie van deze bladzijde (als het een lege of halve bladzijde is dan neem je de
eerstvolgende). Je geeft een korte inhoud van deze bladzijde. Geef daarbij aan wat de functie is van deze
bladzijde in het gehele werk. Geef een overzicht van alle personen die op deze bladzijde voorkomen en
beschrijf kort hun functie in het verhaal.
13.
Geef je genuanceerde mening over het gelezen werk: wat vond je goed en wat juist niet. Motiveer je
antwoord!
14.
Geef tenslotte je mening over de opdracht. Hoe ging het lezen van het boekje en heb je er iets van
geleerd? Hoe lang
ben je er mee bezig geweest?
15.
Onder je boekverslag verklaar je, dat je het boek zelf hebt gelezen en dat je het verslag zelf hebt
gemaakt.
Deze verklaring voorzie je van je handtekening. Zonder deze verklaring kan de docent je werkstuk afkeuren.
Waar wordt je verslag op beoordeeld?
1.
Het moet duidelijk zijn dat je het boek zelf hebt gelezen en dat je het verslag zelf hebt geschreven.
Het overnemen
van (delen van) boekverslagen van anderen of van internet is strikt verboden!! Bij twijfel zal je docent je
onderwerpen aan een gesprekje over je verslag en het gelezen(?) boek. Plagiaat (= klakkeloos
overschrijven of hergebruiken van andermans werk zonder bronvermelding en/of toestemming van de auteur)
is fraude.
2.
Het moet duidelijk zijn, dat je het boek goed hebt begrepen.
3.
Je moet in staat zijn je te beperken tot de hoofdlijnen.
4.
Je moet een duidelijk gemotiveerde mening over het boek kunnen geven.
5.
Het verslag moet er netjes uitzien!
3. Samenwerken
Vaak zul je de opdracht krijgen met zijn tweeën of drieën een werkstuk te maken of een presentatie te houden. Ga dan als
volgt te werk:
- Benoem eerst een voorzitter (de leider) en een secretaris (die alles op papier bijhoudt), het zgn. logboek. In het logboek wordt bijgehouden wat er is afgesproken, hoe het proces is verlopen en wie wat heeft gedaan. Veel docenten willen dat het logboek samen met het werkstuk wordt ingeleverd.
- Brainstormen: Bespreek het onderwerp. Zoek iets wat iedereen interesseert en kijk (op internet) of er genoeg materiaal over is. Zorg dat je niet te lang in deze fase blijft hangen en hak de knoop door!
- Bespreek de werkwijze. Eerst heeft ieder de gelegenheid zijn idee van de werkwijze te geven. Dan bespreek je de voor en nadelen van ieders voorstel. Daarna kies je samen het beste plan van aanpak.
- Verdeel de werkzaamheden zo eerlijk mogelijk. Hou bij het verdelen van de taken rekening met ieders sterke punten en met de voorkeur van ieder. Schrijf de afspraken weer in het logboek.
- De planning: Maak afspraken wanneer wat in orde moet zijn en spreek af dat ieder zich dan ook aan die afspraken dient te houden. Plan niet te krap, denk aan vrije dagen, proefwerken, verjaardagen etc. De secretaris schrijft de afspraken in het logboek!
- Als alles op papier staat, bekijk dan samen het resultaat. Is het een mooi samenhangend geheel geworden ?
- Als het een werkstuk betreft, spreek dan af hoe het er tenslotte moet uitzien(afbeeldingen, lay-out) en verdeel zo nodig weer de werkzaamheden.
- Als het een presentatie betreft: spreek dan af, wie er wat gaat vertellen, wie er voor de illustraties, geluidsopnames, dia’s e.d. gaat zorgen.
- Plan een generale repetitie en laat ouders, klasgenoten de presentatie beoordelen. Laat ze vooral goed opletten of een en ander goed te verstaan is en of het boeiend, aantrekkelijk wordt gepresenteerd.
- De secretaris vermeldt in het logboek hoe de samenwerking is verlopen en wie er wat heeft gedaan. Wat ging goed en wat zou beter kunnen? Geef aan hoeveel tijd ieder in de voorbereiding heeft gestoken.
- Tijdens de laatste bijeenkomst wordt de tekst samen besproken en eventueel aangepast.
4. Een werkstuk maken
a. Onderzoek
Het onderwerp van het werkstuk is meestal een onderzoeksopdracht die je voor een vak hebt gekregen. Dit kan bijvoorbeeld zijn een literatuuronderzoek waarin je informatie moet opzoeken en bronnen met elkaar moet vergelijken, maar misschien ga je ook wel eigen onderzoek doen: mensen interviewen, metingen verrichten. Het kan ook zijn dat je iets moet ontwerpen: een windmeter, een brug, een ... Ook in dit geval moet er vaak onderzoek worden gedaan naar de wensen en mogelijkheden van het ontwerp.
Een onderzoek of een onderwerp omvat eigenlijk altijd verschillende aspecten. Een windmeter moet de windsnelheid kunnen meten, maar misschien moet hij ook wel draagbaar zijn en stevig en niet te zwaar en mooier dan de windmeter van de concurrent. Dit betekent dat je eerst je vraagstelling gaat opsplitsen in één of meer hoofdvragen en daaronder een reeks deelvragen. Die deelvragen ga je dan stuk voor stuk uitwerken om uiteindelijk iets te kunnen zeggen over de hoofdvraag.
b. Logboek
Bij onderzoeken hoort aantekeningen maken. Probeer ordelijk te werken, maar je aantekeningen hoeven niet supernetjes te zijn. Je moet ze natuurlijk wel op zijn minst kunnen terugvinden en er zelf uit wijs kunnen worden. Schaf daarom een speciaal schrift aan waarin je die aantekeningen bij elkaar houdt. Zo’n schrift heet dan een logboek. Het logboek is een soort dagboek dat hoort bij je onderzoek. Iedere keer dat je aan je onderzoek werkt, vermeld je bij je aantekeningen de datum en de tijd die je besteed hebt.
Wat voor aantekeningen maak je in je logboek? Eigenlijk maak je van alles dat van belang is een (korte) aantekening: vragen, deelvragen, ideeën en ideetjes, bronnen waar je informatie vindt of denkt te kunnen vinden, opmerkingen over taakverdeling en samenwerking, eventueel ook schetsjes, schema’s, adressen, telefoonnummers, …
Het logboek is min of meer de centrale werkplaats van je onderzoek.
Soms zal er bij de beoordeling van een werkstuk ook worden gevraagd om inzage in het logboek. Dit betekent nog steeds niet dat het supernetjes moet zijn en dat de inhoud voor iedereen te volgen is. Het is zeker niet de bedoeling dat achteraf na het onderzoek nog een logboek wordt gemaakt of dat het logboek ter wille van de beoordeling in het net geschreven wordt of op de computer uitgetikt. Van het werkstuk zelf wordt een nette versie ingeleverd, maar een nette versie van een logboek is tijdverspilling. Het wordt er niet op beoordeeld en het is bovendien meteen te zien dat het niet echt is.
c. Bronnen
Het is belangrijk om al tijdens het onderzoek precieze aantekeningen te maken (in het logboek) van alle bronnen. Als je dat niet doet wordt het later een heel werk om alle gegevens weer bij elkaar te zoeken, zelfs voor zover je zelf alles weer terug kunt vinden.
Bij boeken vermeld je achternaam en voorletters van de schrijver, titel (en ondertitel), plaats en jaar van verschijnen en de geraadpleegde bladzijden.
Bij artikelen vermeld je achternaam en voorletters van de schrijver, titel (en ondertitel) van het artikel, naam van het tijdschrift, jaargang, datum van verschijnen, en de bladzijdennummers van het artikel.
Bij websites vermeld je:
(zo mogelijk) de naam van de auteur,
de url (het internetadres)
eventueel de naam van het artikel of de site
en verder de datum waarop de site is bezocht.
Bij alle bronnen die je uiteindelijk voor je werkstuk gebruikt, worden al deze gegevens ook in de bronvermelding weergegeven. In de hoofdtekst wordt dan een verwijzing [1] gezet en de bronvermelding wordt als bijlage achteraan in het werkstuk gegeven. De bronnen worden dan uitgesplitst naar soort (boek, tijdschrift, website) en vervolgens op volgorde gezet (alfabetisch, chronologisch, of op volgorde van de verwijzing in de hoofdtekst).
In de uiteindelijke versie zorg je tevens voor een duidelijke lay-out van de verwijzingen. Je begint met de naam van de auteur, zonder titels, dus geen prof. dr. Huppeldepup, maar gewoon A. Huppeldepup. Vervolgens schrijf je de titel van het boek schuin of onderstreept en tenslotte de overige gegevens tussen haakjes.
Voorbeelden:
Boeken
M.S. Bakker (red), Amsterdam in de Tweede Gouden Eeuw (Bussum 2000)
TIjdschriften
A.J. Kox en W.P. Troelstra, ‘Uit het Zeeman-archief: de ontdekking van het Zeeman-effect’, Gewina 19 (1996) 153-166
Websites
R. Vonk, Zonsverduistering 2006: Reisplan Egypte,
http://www.natuurkunde.nl/artikelen/view.do?supportId=818469
Nb: ‘Google’ is geen bron, maar een zoekprogramma!
d. Citaten
Stukken tekst uit een bron kunnen in een werkstuk zonder bezwaar worden aangehaald, mits beperkt van omvang en mits er een duidelijke bronvermelding wordt gegeven. In de tekst moet tevens duidelijk worden aangegeven dat het om een citaat gaat, bijvoorbeeld doorinspringen, cursiveren of ‘aanhalingstekens’.
Het gebruik van andermans tekst zonder bronvermelding is fraude en leidt bij ontdekking op zijn minst tot een onvoldoende (een 1) en eventueel tot verdere maatregelen.
e. De indeling van het werkstuk
Een werkstuk bevat een aantal standaardelementen, waar wellicht soms op bepaalde punten van afgeweken kan worden als daar een duidelijke reden voor is. Deze elementen zijn:
Naam klas datum
Titel
(Voorwoord)
Een voorwoord kan eventueel worden toegevoegd als er bijzonderheden over het werkstuk te vermelden zijn die niet direct op de inhoud betrekking hebben en elders in de tekst passen.
(Inhoudsopgave)
Een inhoudsopgave is met name van belang bij uitgebreide werkstukken die een aantal hoofdstukken omvatten en bestaat uit een lijst met hoofdstukken en paragrafen met de bijbehorende bladzijdennummers.
Inleiding
De inleiding kan zelf een aantal onderdelen omvatten:
1. In ieder geval wordt de doelstelling van het werkstuk vermeld. Hierbij worden de hoofdvragen en deelvragen geformuleerd en toegelicht.
2. Eventuele hypothesen, verwachtingen en veronderstellingen kunnen hier worden vermeld en uitgelegd.
3. De opzet en methode van het onderzoek worden uitgelegd en gemotiveerd.
4. Er wordt zonodig vermeld welke vakkennis wordt gebruikt bij het onderzoek.
De inleiding is van zakelijke aard en heeft direct betrekking op de opzet en inhoud van het werkstuk zelf. Persoonlijke opmerkingen rondom de achtergronden van het onderzoek horen meer thuis in een eventueel voorwoord.
De inleiding kan, zeker als hij te uitgebreid dreigt te worden, worden opgesplitst in aparte hoofdstukjes of paragrafen, bijvoorbeeld:
Onderzoeksvraag
Hypothese
Theorie
Methode
Hoofdtekst
Deze bevat beschrijvingen van de afzonderlijke onderwerpen in aparte hoofdstukken.
Slot
Bevat de conclusies: een overzicht van de antwoorden op de deelvragen en de hoofdvraag, eventueel met een samenvatting van de belangrijkste argumenten of gegevens.
In aanvulling hierop kan een discussie worden gegeven van verdere conclusies die voor de inhoud van het onderzoek van belang zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van het onderzoek.
Tenslotte is er ruimte voor verdere slotopmerkingen en aanbevelingen, bijvoorbeeld met betrekking tot mogelijke verbeteringen in de onderzoeksopzet en de mogelijkheden voor vervolgonderzoek en eventuele toepassingen.
(Bijlagen)
Indien van toepassing: in ieder geval een overzicht van de bronnen.
Eventueel een aantal voetnoten, waar dan in de tekst duidelijke verwijzingen naar moeten zijn gegeven.
Eventueel tabellen, grafieken, gegevens en redeneringen waarvan de conclusie wel van belang is binnen de hoofdtekst, maar die niet van voldoende belang of te uitgebreid zijn om in de hoofdtekst te worden opgenomen.
Het logboek (in overleg met de docent).
f. Hoe ga je te werk?
Stap 1: Een onderwerp
Kies een onderwerp, in opdracht van en eventueel in overleg met je docent.
Bijvoorbeeld: “De Amerikaanse Burgeroorlog” of “Zonsverduisteringen door de eeuwen heen”.
Stap 2: Hoofd- en deelvragen
Je gaat je nu afvragen wat je precies over het onderwerp wilt weten. De Amerikaanse Burgeroorlog is een nogal ruim onderwerp. Je moet dat toespitsen, bijvoorbeeld: Waarom brak de Amerikaanse Burgeroorlog uit? of: Welke gevolgen had de Burgeroorlog voor de rechten van de zwarte Amerikanen?
Stap 3: Informatie zoeken
Informatie kun je zoeken in een bibliotheek. Internet is tegenwoordig ook een belangrijke bron. Zorg ervoor dat je nauwkeurig bijhoudt welke bronnen je gebruikt en voorkom fraude!
Stap 4: Wat zijn de eisen aan het werkstuk?
Er zijn specifieke eisen aan het werkstuk die je met de docent afspreekt, zoals de omvang en de inleverdata voor de hoofd- en de deelvragen en voor de uiteindelijke tekst.
Er zijn ook een aantal algemene eisen, zoals het gebruik van fatsoenlijk Nederlands, normale lettertype- en grootte en het zorgen voor een goede indeling en verzorging van het werkstuk.
Zet eventueel alle vereisten op een rijtje in je logboek, zodat je ze gemakkelijk kunt terugvinden en controleren.
Stap 5: Schrijven
Werk je werkstuk netjes op de computer uit (tenzij anders, in overleg met de docent). Zorg ervoor dat je regelmatig een back-up maakt en dat je zelf een kopie houdt. Er kan altijd iets misgaan met de computer of bij het inleveren.
Stap 6: Afwerking
Controleer, aan de hand van de inhoud van het werkstuk, of je conclusies inderdaad de antwoorden geven op de vragen die je had gesteld! Denk eraan dat er in de conclusie nooit nieuwe zaken aan de orde mogen worden gesteld!
Ga vervolgens na of aan alle andere eisen is voldaan en zorg dat je een goed verzorgd werkstuk in kunt leveren voorzien van een mooie voorkant en van plaatjes: het oog wil ook wat. Let er tenslotte ook op dat de bronvermeldingen volledig en nauwkeurig zijn. Dit houdt ook in een onderschrift (en bronvermelding) bij de plaatjes.
5. Goed plannen
Stap 1: Tijdpad maken
Wanneer moet het werkstuk klaar zijn? Welke presentatievorm kies je? Heb je de vrijheid om in plaats van een papieren ook een website of een PowerPoint presentatie te maken? Zo ja, wie regelt de technische ondersteuning? Kijk in je agenda en tel de dagen die je hebt om aan het werkstuk te werken. Wees eerlijk, wanneer je moet hockeyen of een feestje hebt, dan heb je geen tijd voor je werkstuk. Maak eerst een planning. Je hebt niet voor alle onderdelen evenveel tijd nodig. Neem de planning over in je agenda of gebruik het planformulier.
Een tijdpad kun je in een half uur maken.
Stap 2: Onderwerp kiezen
Kies een ‘groot onderwerp’, bijvoorbeeld de Tachtigjarige Oorlog. Maak het onderwerp klein. Dit kun je doen door allerlei vragen te stellen over deze periode: ‘Wanneer is de oorlog begonnen?’ ‘Welke gevolgen had dit voor Nederland?’ ‘Wie stonden er tegenover elkaar?’ ‘Waar ging het precies om?’ Etc.
Uit alle vragen die je opschrijft, kies je één hoofdvraag waarover je een werkstuk gaat maken. Uiteindelijk ga je één zo’n hoofdvraag uitwerken.
Een onderwerp kiezen neemt een kwartier in beslag.
Stap 3: Deelvragen bedenken
Eén hoofdvraag levert meestal te weinig stof op om een heel werkstuk mee te vullen. Bedenk daarom minimaal drie en maximaal vijf deelvragen waarmee je het onderwerp verder uitwerkt. Het is de bedoeling dat de antwoorden op de hoofdvraag en de deelvragen de basis vormen van je werkstuk of presentatie.
Het maken van de vragen zal ongeveer een kwartier kosten.
Stap 4: Informatie zoeken.
Bedenk waar je informatie kunt vinden. De bibliotheek en het Internet zijn de grootste informatiebronnen. In de bibliotheek kun je kranten, tijdschriften en boeken vinden. Op het Internet kun je zoeken met behulp van zoekmachines zoals Google en Davindi. Of een encyclopedie op internet zoals Wikipedia. Je kunt ook iemand interviewen.
Voor het zoeken naar bruikbare informatie heb je ongeveer een half uur nodig. Wanneer je naar de openbare bibliotheek gaat, moet je er meer tijd voor uittrekken.
Stap 5: Informatie ordenen
Je hebt bij alle vragen informatie verzameld. Maak eerst een inhoudsopgave, dit is de structuur van het werkstuk. Daarvoor kun je de lijst met hoofd- en deelvragen gebruiken. Je vult alle hoofdstukken één voor één in met de gevonden informatie. Daarna verwerk je alles in een papieren werkstuk, een PowerPoint presentatie, een website, een filmpje, een (digitale) collage of een spreekbeurt. De gevonden informatie uitwerken en ordenen kost de meeste tijd.
Met het maken van het werkstuk ben je gemiddeld twee uur bezig.
Stap 6: Werkstuk presenteren
Soms moet je een werkstuk alleen inleveren bij de docent, soms moet je een presentatie houden voor je klasgenoten en de docent. Zorg er in ieder geval voor dat je zelfverzekerd en duidelijk overkomt.
Welke vorm je ook kiest, de presentatie van je werkstuk zal nooit meer dan een half uur in beslag nemen.
Stap 6: Terugkijken / evalueren
Natuurlijk krijg je een cijfer voor je werkstuk maar het is ook goed om zelf te kijken wat je goed of juist niet goed hebt gedaan. Bij het volgende werkstuk maak je dan niet dezelfde fouten en doe je de dingen die nu goed gingen weer net zo goed of beter!
Dit evalueren kan met de docent of met de klas en duurt ongeveer vijf tot tien minuten.
Stap 7: Planformulier
| Stap | Wat moet je doen? | Datum klaar | Benodigde tijd |
| 1. | Tijdpad maken in je agenda. | | Half uur |
| Met wie maak ik dit werkstuk? |
| 2. | Onderwerp kiezen | | 15 Minuten |
| Wat is de hoofdvraag? |
| 3. | Deelvragen bedenken. Hoeveel? |
| Half uur |
| 4. | Informatie zoeken in de bibliotheek en op het Internet |
| Maximaan drie uur |
| 5. | Informatie ordenen Beginnen aan het werkstuk | | Ongeveer 20 uur |
| Kiezen soort werkvorm (filmpje, website, enz.) |
| 6. | Presentatie | | Maximaal één uur |
| Vorm presentatie |
| 7. | Evaluatie | | Half uur |
| Wie gaat het werkstuk beoordelen? |
6. Geven van een presentatie
Je gaat allereerst materiaal zoeken. Meestal op het internet. Deze bronnen vormen het ‘ruwe’ materiaal, niet geschikt is om zo voor de klas te vertellen. Je schrijft immers anders dan je spreekt: als je schrijftaal gaat spreken, dan zal de toeschouwer het al gauw niet meer volgen.
Dus breng je de geschreven teksten terug tot eenvoudige kleine zinnetjes, die ook nog eens gemakkelijk te leren zijn. Zorg voor een duidelijke opbouw in je verhaal, zodat de toeschouwer het goed kan volgen. Van tevoren zou je deze opbouw op het bord kunnen zetten.
Het is slim als je illustraties meeneemt (foto’s, landkaarten e.d.) en zo van de ene illustratie naar de andere praat. Dit is prettig voor de toeschouwer en de illustraties geven houvast bij het in je hoofd krijgen van de tekst.
Je kunt natuurlijk je presentatie ondersteunen of vervangen met PowerPoint. Vraag eerst aan je docent of dit goed is en zorg zelf voor de apparatuur (via Arjen).
Maak een spiekbrief, steekwoorden met een enkele aantekening, niet meer dan 50 woorden.
Je begint de presentatie altijd met te vertellen hoe je betoog is opgebouwd. Je kunt dat eventueel van te voren op het bord schrijven.
Als het een presentatie in de vreemde taal is dan is het slim voor je de tekst uit je hoofd gaat leren, de uitspraak door te nemen met iemand die de vreemde taal goed spreekt.
Dan ga je de tekst uit je hoofd leren. Als de tekst goed in je hoofd zit, dan ga je een keer voor de spiegel oefenen: kijk goed naar je publiek, daar doe je het voor. Let op je houding: nooit ergens tegenaan leunen, maar op je benen staan! En het is beslist noodzakelijk dat je de presentatie daarna ook een keer laat horen aan iemand anders (ouder, medeleerling, broer, zus). Deze moet opletten of je goed te verstaan bent en of het te begrijpen is en dat je niet te snel spreekt, niet saai is en of de opbouw duidelijk is. Vooral de neiging, te gaan ratelen moet je onderdrukken.
Nooit oplezen: dit maakt de presentatie onbegrijpelijk voor de luisteraars.
Gebruik illustraties, posters, geluidsopnames, filmfragmenten, PowerPoint. Dit maakt de presentatie aantrekkelijk voor het publiek. Het geeft je bovendien houvast om te onthouden wat je gaat vertellen. Zorg ervoor dat de apparatuur aanwezig is. Natuurlijk is jouw gesproken tekst de hoofdmoot van de presentatie.
Waar wordt de presentatie op beoordeeld?
- Is het verhaal goed opgebouwd?
- Is het onderwerp boeiend?
- Wordt het vlot en aantrekkelijk gepresenteerd?
- Is het goed verstaanbaar?
- Is het in de vreemde taal: hoe is de uitspraak en de woordkeuze?
7. Samenvatten
Als je een stuk tekst samenvat, moet jouw samenvatting natuurlijk niet langer zijn dan het origineel. Ook moet je later nog weten wat je ooit bedoeld hebt met jouw samenvatting. Sommige samenvattingen zijn zo beknopt, dat ze na een tijdje onbegrijpelijk worden. Een goede samenvatting is dus kort en toch duidelijk. Dat lijkt logisch, maar het is best lastig om een goede samenvatting te maken. Daarom moet je dat goed oefenen.
a. Een paar tips
In het algemeen moet de omvang van een samenvatting een tiende zijn van de originele tekst. Tien bladzijden tekst levert dus een samenvatting van één pagina op.
Een samenvatting moet een duidelijke lay-out hebben, zodat je snel kan zien waar welke informatie staat. Denk hierbij aan het volgende:
Neem altijd titel en de tussenkopjes van de samengevatte tekst over;
Sla genoeg regels over, zodat de samenvatting geen tekstbrij wordt;
Neem als het mogelijk is de hoofdvraag of de deelvraag van de tekst over.
Schrijf duidelijke zinnen – geen telegramstijl – en gebruik geen afkortingen. Maak mooie afgeronde alinea’s. Zo begrijp je later ook nog wat je bedoelde.
b. Hoe maak je een samenvatting?
Als je een tekst gaat lezen, bekijk de tekst dan goed. Hoe lang is de tekst? Welke titel heeft hij? Welke tussenkopjes worden er gebruikt?
Een goede tekst of een goed boek heeft altijd een inleiding en een conclusie. Om een tekst snel te begrijpen, lees je de inleiding en de conclusie als eerste. Je weet dan al waar de tekst over gaat. Laat dit goed tot je doordringen.
Vervolgens schrijf je kort op wat de schrijver in zijn tekst wil onderzoeken of beweert.
Daarna lees je de tekst onder de kopjes. Als je klaar bent, ga je na wat de tekst te maken heeft met het kopje erboven. Neem het kopje over en schrijf er een korte samenvatting onder.
c. Samenvatting met behulp van deelvragen
Sommige lesmethoden werken met deelvragen. Als je zo’n tekst wilt leren, moet je daar gebruik van maken. Doe het als volgt
Stap 1 – lees de deelvragen. Schrijf de titel en de deelvragen over
Stap 2 – lees de tekst
Stap 3 – beantwoord kort de deelvragen
En je samenvatting is klaar!
d. Voorbeelden van samenvattingen
Samenvatting De duivel komt
Deelvraag: hoe ontstond het beeld van de hekserij dat tot de heksenvervolging leidde?
1.1 Hekserij: van magie tot duivelaanbidding
De meeste eenvoudige mensen geloofden vroeger in het bestaan van magie. Hiermee konden ze allerlei onverklaarbare zaken toch begrijpen. Magie of tovenarij die succes brengt wordt witte magie genoemd en tovenarij die mensen schade toebrengt heet zwarte magie.
Oorspronkelijk had magie niets met de duivel te maken. Het geloof in magie maakte deel uit van het leven van het gewone volk. We noemen dit ook volkscultuur. De ideeën over de duivel zijn afkomstig van de katholieke kerk. Leiders van de kerk, zoals kerkvader Augustinus, bedachten de theorieën over het bestaan van de duivel. Alleen gestudeerde, rijke mensen lazen de boeken van Augustinus en daarom maken de ideeën van de duivel deel uit van de elitecultuur.
Pas in de middeleeuwen (rond 1400) werden de ideeën over zwarte magie en de duivel gecombineerd. Samen met de nieuwe aanpak van het strafprocesrecht kon de heksenwaar uitbreken. De heksenprocessen woedden van 1400 tot 1750.
1.2 De rol van de inquisitie
Enzovoorts
Voorbeeld van een duidelijke samenvatting
Samenvatting De duivel komt
Witte magie: magie of tovenarij die succes brengt. Zwarte magie: tovenarij die mensen schade toebrengt. Het geloof in magie maakte deel uit van het leven van het gewone volk = volkscultuur.
Ideeën over duivel afkomstig van de katholieke kerk. Leiders van de kerk, zoals kerkvader Augustinus, bedachten de theorieën over het bestaan van de duivel. Elitecultuur: cultuur van rijke gestudeerde mensen. Pas in de middeleeuwen (rond 1400) werden de ideeën over zwarte magie en de duivel gecombineerd. Samen met de nieuwe aanpak van het strafprocesrecht kon de heksenwaar uitbreken. Heksenprocessen waren van 1400 tot 1750.
Voorbeeld van een onduidelijke samenvatting
8. Praktisch onderzoek bij de B-vakken
Uitvoering van een proef:
Werk netjes en geconcentreerd.
Geen tassen in het gangpad of andere belemmeringen waar mensen over kunnen struikelen..
Lees de instructies goed en volg aanwijzingen op.
Denk aan de veiligheid, in het bijzonder bij het werken met gevaarlijke stoffen, branders, hete vloeistoffen, elektriciteit, ...
Wees voorzichtig met materialen en ruim na het werk netjes op.
Verslaggeving
Naam, klas, datum
Titel
Inleiding Meestal overbodig, tenzij er bijzonderheden zijn die niet elders in het verslag passen.
Onderzoeksvraag
Wat ben je aan het onderzoeken, welke vraag probeer je met dit onderzoek te beantwoorden?
Kun je iets zeggen over de verwachte resultaten van je onderzoek (hypothese)?
Vermeld heel kort op welke manier je het onderzoek aanpakt.
(bijvoorbeeld: het verband tussen slingerlengte en slingertijd wordt onderzocht door het opmeten van de slingertijd van slingers met verschillende lengten tussen 5 cm en 1 m)
Theoretische achtergrond
Welke kennis is nodig om te begrijpen waar de proef over gaat?
Geef formules en reactievergelijking(en).
Eventueel: leg het principe van de gebruikte opstelling uit.
Uitvoering
Beknopte beschrijving van de opstelling. Voeg een verduidelijkende tekening toe en geef daarin de verschillende onderdelen aan.
Leg stap voor stap uit wat je gedaan hebt maar wel kort. Laat overbodige beschrijvingen van vanzelfsprekende handelingen weg.
Bespreek, indien van toepassing kort de veiligheid van de proef.
Waarnemingen en resultaten
Leg overzichtelijk uit wat je hebt waargenomen.
Orden gegevens zoveel mogelijk in tabellen en grafieken. Overleg met je docent of grafieken met de computer of met de hand gemaakt moeten worden.
Geef van berekeningen een voorbeeld.
Conclusie
Dit is het denkwerk naar aanleiding van wat je hebt waargenomen tijdens de proef.
Geef overzichtelijk aan welk conclusies je kunt trekken.
Let er op of de onderzoeksvraag beantwoord is.
Discussie
Hoe groot is de betrouwbaarheid van je onderzoek? (zo mogelijk kwantitatief: hoe ver denk je dat je er maximaal naast zit?)
Zijn er onderdelen misgegaan en wat valt er te verbeteren?
9. Het Groepsgesprek
Regels voor een groepsgesprek:
Er is één gespreksleider. Meestal is dit de docent, het kan ook een aangewezen leerling zijn.
Er wordt om de beurt gesproken. Je steekt je vinger op wanneer je iets wilt zeggen, de gespreksleider geeft je het woord.
Je luistert altijd naar elkaar, val nooit een ander in de rede.
De gespreksleider vat af en toe kort samen en gooit er dan weer een ‘prikkelende’ stelling in.
Van te voren kun je een stelling op het bord zetten en de klas verdelen in voor- en tegenstanders.
Tijdens het debat kan het bord worden gebruikt voor conclusies.
Voor een groepsgesprek is het belangrijkst: luister naar elkaar! Daarbij hoef je het niet altijd met elkaar eens te zijn, maar blijf een ander –en zijn/haar mening- altijd respecteren!
10. Maken van een poster
Bedoeling
Een poster is er eigenlijk voor om gepresenteerd te worden op een postermarkt, bijvoorbeeld op een conferentie of een tentoonstelling. Op de postermarkt lopen dan veel mensen rond om te kijken. Ze bekijken de posters en maken af en toe een praatje met de presentatoren over de inhoud.
Eisen
Om op een postermarkt succesvol uit de bus te komen moet een poster:
- duidelijk en overzichtelijk zijn
- aantrekkelijk zijn om naar te kijken
- beknopte maar kernachtige informatie bevatten
- voor zichzelf spreken
- maar ook uitnodigen om over door te praten
Met andere woorden: zorg er voor dat je poster leuk is om te zien, dat de informatie er doeltreffend opstaat en een goed overzicht geeft van wat je wilt zeggen.
Hoe ga je te werk?
Werken aan een poster lijkt vooral in het begin heel erg op het maken van een werkstuk. Het is bijvoorbeeld verstandig (en misschien ook verplicht, luister goed naar wat je docent hierover zegt!) om een logboek bij te houden. In het logboek houd je bij wat je bronnen zijn, maak je schetsjes en zet je ideeën op een rijtje. Ook houd je er in bij hoeveel tijd je besteedt.
Ook Het stappenplan voor de poster lijkt op de stappen bij het maken van een werkstuk:
Stap 1: Een onderwerp
Kies een onderwerp, in opdracht van en eventueel in overleg met je docent.
Bijvoorbeeld weer: “De Amerikaanse Burgeroorlog” of “Zonsverduisteringen door de eeuwen heen”.
Stap 2: Hoofd- en deelvragen
Je gaat je nu afvragen wat je precies over het onderwerp wilt weten. De Amerikaanse Burgeroorlog is een nogal ruim onderwerp. Je moet dat toespitsen, bijvoorbeeld: Waarom brak de Amerikaanse Burgeroorlog uit? of: Welke gevolgen had de Burgeroorlog voor de rechten van de zwarte Amerikanen?
Stap 3: Informatie zoeken
Informatie kun je zoeken in een bibliotheek. Internet is tegenwoordig ook een belangrijke bron. Zorg ervoor dat je nauwkeurig bijhoudt welke bronnen je gebruikt en voorkom fraude!
Stap 4: Wat zijn de eisen aan de poster?
Er zijn weer net als bij een werkstuk specifieke voorwaarden die je met de docent afspreekt, zoals het formaat en de inleverdatum. Er zijn ook algemene eisen zoals hierboven beschreven. En misschien heb je zelf ook nog wel dingen die je per se wilt, bijvoorbeeld dat er in ieder plaatje dat je gebruikt iets geels zit.
Zet eventueel alle vereisten weer even op een rijtje in je logboek.
Stap 5: Ontwerpen
Maak schetsen van de indeling van je poster. Let erop dat de beeldelementen evenwichtig verdeeld en op elkaar afgestemd zijn. Maak een schatting van de hoeveelheid tekst die je erop wilt zetten. Bedenk dat de tekstblokken zelf ook belangrijke onderdelen zijn van het totaalbeeld. Houd daar in je vlakverdeling rekening mee.
Stap 6: Stel de teksten samen.
Gebruik een aantal groot afgedrukte kernachtige titels/slogans/korte zinnen om de aandacht te trekken. Daarnaast kun je in kleiner geschreven of afgedrukte teksten (beknopt) toch iets meer op de inhoud ingaan.
Stap 7: Afwerking
Voer je ontwerp uit en lever het in op of voor de afgesproken datum.